7 jaar in het hart van de voedingsindustrie
Zeven jaar in een loopbaan zijn noch een ogenblik, noch een eeuwigheid. Maar ze volstaan om een sector grondig te zien evolueren, om zekerheden te toetsen en om de noodzakelijke transformaties te begrijpen.
Carole Dembour, Senior Economic Affairs Advisor
Zeven jaar geleden kwam ik bij Fevia binnen met mijn analysekader als econoom: competitiviteit, kosten, markten, marges. Vandaag vertrek ik met dezelfde analytische nauwkeurigheid, maar verrijkt met een sterkere overtuiging: achter de indicatoren schuilt een constellatie van ondernemingen, mensen en keuzes die de voedingsindustrie haar rijkdom en complexiteit geven.
Wat is er veranderd?
De eerste opvallende verandering is de versnelling. Versnelling van de volatiliteit van de kosten in de afgelopen jaren, met herhaalde schokken op het vlak van energie, grondstoffen en logistiek. Ook een versnelling van de maatschappelijke verwachtingen: transparantie, duurzaamheid, gezondheid, herkomst van producten.
Deze evoluties hebben niet alleen druk gezet op de marges; ze hebben ook de manier waarop bedrijven beslissingen nemen grondig veranderd. Waar bepaalde dynamieken vroeger relatief voorspelbaar waren, moet de sector vandaag omgaan met een structurele onzekerheid.
Ik ben ook getroffen door de groeiende rol van het regelgevende kader. Tussen klimaatbeleid, etiketteringsvereisten, fiscaliteit of handelspraktijken is het kader waarin bedrijven opereren dichter en complexer geworden. Dat weerspiegelt legitieme verwachtingen, maar roept ook een centrale vraag op: hoe kunnen we de competitiviteit en het ondernemerschap behouden en tegelijk aan deze ambities voldoen?
Tot slot is de Europese en internationale dynamiek nog bepalender geworden. In de economische theorie, sinds Ricardo, steunt internationale handel op de comparatieve voordelen: elk land specialiseert zich in datgene waarin het relatief het meest efficiënt is. Maar in de huidige realiteit worden deze voordelen steeds meer vertekend door het opleggen van douanetarieven of het toekennen van productiesubsidies.
Wat heb ik geleerd?
In de loop van deze jaren heeft één inzicht zich duidelijk opgedrongen: er bestaat geen eenvoudige lezing van de voedingsindustrie. Publieke debatten wekken soms de indruk van onverenigbare spanningen: tussen betaalbare prijzen en eerlijke verloning, tussen competitiviteit en duurzaamheid, tussen regulering en flexibiliteit. In de praktijk navigeren bedrijven voortdurend tussen deze beperkingen, met pragmatisme.
Ik heb ook geleerd het belang van de lange termijn en van anticipatie te beseffen. In een sector waar industriële investeringen zwaar zijn en waardeketens complex, worden transformaties niet zomaar beslist: ze worden geleidelijk opgebouwd. Dat geldt voor de energietransitie, voor productinnovatie en voor de aanpassing aan nieuwe verwachtingen van consumenten.
Carole Dembour, Senior Economic Affairs Advisor
Luisteren naar ondernemers verandert de manier waarop je economie bedrijft. Achter elke geaggregeerde indicator schuilen zeer uiteenlopende situaties – van familie-kmo’s tot grote groepen, van sectoren die sterker op export gericht zijn tot spelers die zich focussen op de binnenlandse markt. Die diversiteit is een rijkdom, maar ook een uitdaging voor het overheidsbeleid.
Waar staat de sector vandaag?
Ik verlaat de Belgische voedingsindustrie op een kantelmoment. Enerzijds staat zij onder aanzienlijke druk: hoge kosten, toegenomen internationale concurrentie, een veeleisend regelgevend kader. Deze factoren wegen op de rendabiliteit en op termijn op investeringsbeslissingen en werkgelegenheid.
Anderzijds beschikt ze over sterke troeven: een grote innovatiecapaciteit, een lokale verankering, erkende expertise en een strategische plaats in de economie. Weinig sectoren combineren op die manier een industriële dimensie, nabijheid tot de consument en integratie in zowel lokale als globale waardeketens.
De vraag is dus niet alleen die van de veerkracht op korte termijn, maar ook van het vermogen om op lange termijn competitief te blijven. Dat veronderstelt een delicate balans tussen ambitie en realisme: ambitie op het vlak van transitie, realisme over de voorwaarden die nodig zijn om die haalbaar te maken.
Waarom ik vertrouwen behoud
Ondanks de uitdagingen verlaat ik Fevia met een oprecht vertrouwen in de toekomst van de sector.
Ten eerste omdat ik dagelijks een opmerkelijk aanpassingsvermogen heb kunnen vaststellen. Naar aanleiding van opeenvolgende crisissen hebben bedrijven geïnnoveerd, hun modellen aangepast en hun processen herbekeken. Die wendbaarheid is een grote troef.
Daarnaast omdat de transitie (of die nu klimaatgericht, nutritioneel of technologisch is) niet alleen een beperking vormt. Ze opent ook opportuniteiten: nieuwe producten, nieuwe waardeketens, nieuwe markten. Uiteraard op voorwaarde dat het kader waarin bedrijven opereren gunstig blijft voor investeringen en innovatie.
Tot slot omdat de dialoog tussen de betrokken actoren (bedrijven, overheden, partners) essentiëler is dan ooit. De huidige uitdagingen kunnen alleen aangepakt worden via gezamenlijke benaderingen, gebaseerd op solide analyses en wederzijds begrip voor elkaars beperkingen.
De rode draad
Ik ben meer dan ooit overtuigd dat de voedingsindustrie een sleutelrol te spelen heeft in de grote komende transities. Op voorwaarde dat zowel haar beperkingen als haar bijdragen erkend worden, en dat er beleid wordt ontwikkeld dat haar ondersteunt in plaats van afremt.
Met deze overtuiging zet ik mijn parcours voort, met als blijvend resultaat van deze zeven jaren bij Fevia een verfijnder inzicht in een essentiële sector en een nuchter vertrouwen in het vermogen om zich opnieuw uit te vinden.