Allergenen: advies Wetenschappelijk Comite FAVV (referentiedosissen)

Maud Sermeus
05.12.2017

Op 4 december heeft het Wetenschappelijk Comite van het FAVV zijn advies 24-2017 rond de “referentiedosissen voor de allergenen die zijn opgenomen in bijlage II van de FIC verordening 1169/2011” gepubliceerd.

Dit advies is gebaseerd op gegevens uit de wetenschappelijke literatuur in combinatie met de opinie van experten. Het gaat over de “te hanteren referentiedosissen in het kader van de controle van de etikettering van allergenen” (gepaste maatregelen kunnen genomen worden bij het vinden van niet-vermelde allergenen in de etikettering). “De voorgestelde referentiedosissen zouden niet gebruikt mogen worden als basis voor de bewering dat een product “vrij” is van een specifiek allergeen.”

Hierna vindt u de (voorlopige) referentiedosissen voorgesteld door het Wetenschappelijke Comité van het FAVV (uitgedrukt in mg eiwit van het allergene levensmiddel). Al deze waarden zijn hoger dan degene die vastgelegd werden door VITAL en NVWA.

  Voorgestelde referentiedosis
Aardnoten (pinda) 1,1
Melk 1,2
Ei 0,3
Hazelnoot 0,5
Walnoot 0,5
Cashew 0,6
Overige noten 0,5
Soja 2,9
Tarwe (en alle glutenbevattende granen) 1,3
Mosterd 0,1
Lupine 4,5
Sesamzaad 0,4
Garnalen 12,1
Overige schaaldieren -
Weekdieren -
Vis -
Selder -

“Deze referentiedosissen zijn voornamelijk gebaseerd op de onderste limiet van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de dosis die een allergische reactie veroorzaakt bij 5% van de gevoelige populatie die in de wetenschappelijke literatuur gerapporteerd wordt. Op basis van de beschikbare informatie en rekening houdend met de onzekerheden, kan aangenomen worden dat deze referentiedosissen voldoende laag zijn om het merendeel (97 à 98%) van de allergische consumenten te beschermen.”

Het is nu de taak van de risico-beheerder o.a. het FAVV (controlebeleid) om te bepalen, op basis van dit advies, wat de te volgen aanpak is in geval van controles van de etikettering (kruiscontaminatie door allergenen).