Biogrondstoffen onder druk: wat betekent deze studie concreet voor voedingsbedrijven?
De vraag naar biogrondstoffen in Vlaanderen neemt toe, terwijl ruimte en beschikbaarheid beperkt blijven. Een recente scenariostudie van Vlaanderen Circulair verkent hoe verschillende sectoren hiermee kunnen omgaan. Voor de voedingsindustrie biedt dit nuttige inzichten, maar ook duidelijke aandachtspunten rond de rol van voedselproductie en bestaande ketens.
De uitdaging: toenemende concurrentie om biogrondstoffen
De vraag of Vlaanderen, met zijn beperkte beschikbare ruimte, in de toekomst voldoende biomassa kan produceren om zowel de bevolking te blijven voeden als andere sectoren van biogrondstoffen te voorzien, klinkt steeds luider.
Door bevolkingsgroei neemt de vraag naar voeding toe, terwijl voedingspatronen veranderen en diverser worden. Tegelijk is Vlaanderen vandaag sterk afhankelijk van import voor een deel van zijn biogrondstoffen, wat in een context van geopolitieke spanningen en marktonzekerheid duidelijke risico’s inhoudt.
Daarnaast stijgt ook de vraag vanuit andere sectoren: biogebaseerde materialen, chemie en energie worden expliciet naar voren geschoven als alternatieven voor fossiele grondstoffen in het kader van de klimaat- en circulaire transitie. Dat zet de beschikbare biogrondstoffen onder extra druk, net op het moment dat ook milieu-, natuur- en ruimtebeleid het beschikbare landbouw- en productieve areaal verder beperken.
Voor de voedingsindustrie, die biogrondstoffen al decennialang inzet voor voedselproductie én valorisatie van nevenstromen, roept dat fundamentele vragen op: hoe verzoenen we voedselzekerheid, verduurzaming en economische realiteit?
De studie: scenariodenken als gesprekstarter
Onze aanpak
De werkagenda’s Voedselketen en Bio-economie van Vlaanderen Circulair gaven de opdracht aan Technopolis Group om een scenariostudie uit te voeren over de toekomstige beschikbaarheid van biogrondstoffen in Vlaanderen. Voor dit onderzoek werden experten uit verschillende sectoren bevraagd. De preliminaire resultaten werden toegelicht op een studiedag op 2 juni 2025. Verdere discussies leidden tot het finale rapport, gepubliceerd op 1 oktober 2025.
Het onderwerp raakt veel belanghebbenden in uiteenlopende sectoren. Daarom werd gekozen voor een scenariostudie die, naast bronnenonderzoek, inzet op dialoog met experten en actoren uit de maatschappelijke vijfhoek.
Belangrijk daarbij is dat de resultaten geen exacte voorspellingen zijn, maar richtingaanwijzers.
De meerwaarde van het traject lag in de dialoog: voor het eerst zaten actoren uit voeding, landbouw, chemie, energie en beleid samen rond dezelfde tafel om hun noden en verwachtingen expliciet te maken.
De conclusies
De resultaten zijn inschattingen, die we vooral moeten interpreteren als een richtingaanwijzer voor te verwachten evoluties. Als opdrachtgever destilleren we twee duidelijke conclusies:
1. Een open economie blijft cruciaal
Een open economie, met internationale import en export van biogrondstoffen, is en blijft cruciaal voor een kleine, dichtbevolkte en welvarende regio als Vlaanderen. Lange-termijnsamenwerking met andere regio’s en landen is daarom een strategische noodzaak.
Voor voedingsbedrijven onderstreept dit het belang van stabiele handelsrelaties, diversificatie van aanvoer en beleidskeuzes die internationale waardeketens blijven aanmoedigen.
2. Transities lopen tegelijk en moeten worden afgestemd
De energietransitie, eiwitshift en circulaire transitie zijn tegelijkertijd aan de gang. Als ze worden gestroomlijnd om synergetisch te verlopen, kan dat de druk op biogrondstoffen temperen. Het is van groot belang deze transities in goede banen te leiden, met oog voor economische ontwikkeling van alle betrokken sectoren in Vlaanderen.
Voor de voedingsindustrie betekent dit dat efficiënt gebruik van grondstoffen, behoud van bestaande toepassingen en realistische verwachtingen rond herbestemming van biomassa essentieel zijn. De studie stelt in sommige scenario’s voor om de dierlijke productie te verminderen ten voordele van andere toepassingen van biogrondstoffen, zoals die in de chemische sector. Zulke voorstellen zijn weinig realistisch en gaan voorbij aan de rol van de vleesindustrie in voedselvoorziening, valorisatie van nevenstromen en economische activiteit. Daarnaast leidt een structurele afbouw van voedselproductie niet automatisch tot een efficiënter gebruik van biogrondstoffen, maar kan ze net verschuivingen in import en landgebruik elders veroorzaken.
Wat betekent dit concreet voor de voedingsindustrie?
Voor voedingsbedrijven bevestigt deze studie vooral wat vandaag in de praktijk al voelbaar is:
- Biogrondstoffen hebben vandaag al meerdere hoogwaardige toepassingen. Het idee dat grote volumes eenvoudig kunnen worden verschoven naar andere sectoren, zonder impact op voedselproductie, prijzen of ketens, is weinig realistisch.
- Nevenstromen zijn een essentieel onderdeel van circulaire voedingsketens. Ze dragen bij aan de bodemvruchtbaarheid en de nutriëntenkringlopen. Beleidskeuzes die deze stromen heroriënteren, moeten rekening houden met steeds duurzamer wordende landbouwsystemen en de bestaande economische en technologische realiteit.
- Beleidsdoelen rond eiwitshift, circulariteit en energie hebben directe gevolgen voor grondstofbeschikbaarheid en -prijzen. Zonder duidelijke prioriteiten en afstemming dreigt extra onzekerheid voor bedrijven die net langetermijninvesteringen moeten doen.
De studie maakt duidelijk dat er nood is aan heldere beleidskeuzes: welke toepassingen krijgen voorrang, welke rol speelt import, en hoe borgen we voedselzekerheid én economische activiteit in Vlaanderen?
De weg vooruit
Het is waardevol gebleken dat verschillende actoren uit het brede landschap van biogrondstoffen werden samengebracht. Deze studie heeft het probleem bespreekbaar gemaakt en bood ruimte aan verschillende sectoren om hun verwachtingen en noden kenbaar te maken.
Er is nood aan een transversale strategie die inzet op sectoroverschrijdende consensus rond optimale productie en consumptie van biogrondstoffen in Vlaanderen, met respect voor milieu, natuur en ruimte.
Voor Fevia en haar leden is het essentieel dat een vervolgtraject vertrekt vanuit de bestaande rol van de voedingsindustrie als grootste gebruiker van biogrondstoffen, rekening houdt met internationale verwevenheid van ketens en inzet op samenwerking in plaats van verschuiving van knelpunten.
Vlaanderen Circulair wil het overleg openhouden en verder inzetten op dit thema.