Prijzen winkelkar
26.01.2026 Nieuws

Willekeur van retailallianties aan banden gelegd in Frankrijk

In Frankrijk is het voor handelspartners verboden om verplichtingen op te leggen die een aanzienlijk onevenwicht scheppen. Zo heeft het Franse Hof van Cassatie op 7 januari 2026 geoordeeld dat het voor de afnemer strafbaar is om eenzijdig kortingen van de leverancier te eisen waarvoor nauwelijks een tegenprestatie bestaat. Opvallend is dat de leveranciers in deze zaak grote bedrijven waren die economisch sterk stonden, maar dat dit geen gevolg had voor de uitkomst van de zaak. De zaak wekt de hoop dat grote leveranciers ook in België een betere bescherming mogen verwachten tegen oneerlijke handelspraktijken.

Een retail alliantie die vooral supermarkten van Intermarché en Netto verenigt, besliste in 2014 om kortingen te eisen van een aantal van haar leveranciers. De alliantie eiste eenzijdig een compensatie voor het verlies van haar marge, en bood zelfs geen tegenprestatie aan voor die kortingen. Het Franse Hof van Cassatie zag hierin niets anders dan het streven naar meer winst, zonder rekening te houden met het idee van commerciële samenwerking. Zo’n willekeur maakte volgens haar de gehele commerciële relatie onzeker en getuigt op zichzelf van een onevenwicht.

En in Belgisch recht?

De Belgische UTP-wet (“unfair trading practices”) beschermt leveranciers van voedingsproducten met een jaarlijkse omzet van maximaal €350 miljoen. Zij verbiedt ook de eenzijdige wijziging van de belangrijkste voorwaarden van de leveringsovereenkomst (Artikel VI.109/5, 3° van het Wetboek Economisch Recht; zie Fevia’s artikel hier). Bedrijven die een hogere omzet halen kunnen enkel een beroep doen op het B2B handelsrecht dat voor alle bedrijven geldt, en dat minder bescherming biedt.

In het Belgisch gemeen B2B-handelsrecht is er een verbod op clausules die een duidelijk onevenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen creëren. In vergelijking met het Franse recht neemt het Belgische recht weliswaar een wat meer holistische benadering door in Artikel VI.91/3 van het Wetboek Economisch Recht ook te letten op “alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is”. 

Conclusie

Het Franse Hof van Cassatie is in haar arrest van 7 januari 2026 alvast de juiste weg ingeslagen door in de eerste plaats naar de clausules en praktijken op zichzelf te kijken. Ook wanneer de machtsverhoudingen tussen de betrokken partijen evenwichtig lijken, worden oneerlijke clausules of praktijken immers niet plots eerlijk.

Laat uw stem horen

In de Belgische UTP-wet geldt een omzetplafond van €350 miljoen per jaar, waardoor heel wat bedrijven de bescherming van de UTP-wet niet genieten. Omdat oneerlijke handelspraktijken oneerlijk zijn ongeacht de grootte van de leverancier, zou dit omzetplafond herzien moeten worden. Fevia nodigt haar leden uit om hun standpunt over het plafond en over andere aspecten van de UTP-Richtlijn te delen voor 27 februari 2026 via fv@fevia.be (zie meer info over de consultatie hier).