Concurrentiekracht

Loonkostenhandicap van 21,5%

De loonkostenhandicap van de Belgische voedingsindustrie (rekening houdend met de loonsubsidies) tegenover het gewogen gemiddelde van de drie buurlanden, liep eind 2014 op tot bijna 25%.  Een onhoudbaar hoog niveau voor de concurrentiepositie van de sector.

Dankzij verschillende regeringsmaatregelen (indexsprong, loonmatiging, taks-shift) daalde de loonkostenhandicap sindsdien en resulteert dit in een sterke stijging van de werkgelegenheid in de sector.

Op basis van de berekeningen van Fevia zou de loonhandicap in 2019 jammer genoeg weer aan het stijgen zijn (+1,1 pp).

 

Duurdere elektriciteit door taksen

Kleine Belgische elektro-intensieve voedingsbedrijven betalen gemiddeld 34% en 5 % meer voor hun elektriciteit dan hun tegenhangers in respectievelijk Frankrijk en Nederland. Zonder de taksen/certificaten/heffingen zou de kostprijs van elektriciteit aanzienlijk lager zijn dan die in Duitsland, dezelfde in Frankrijk en 'slechts’ 10% hoger dan in Nederland.

De stijging van de meerkosten (de kosten die voortvloeien uit het beleid en waarvan de financiering gebeurt door de elektriciteitsverbruikers) is de voornaamste reden van deze concurrentiehandicap. Volgens berekeningen van Fevia zag een gemiddeld voedingsbedrijf de meerkosten op zijn elektriciteitsfactuur in een periode van 5 jaar met 45% toenemen.

Belangrijke verduidelijking: deze meerkosten houden rekening met de financiële compensatie die bedrijven die deelnemen aan een Energiebeleidsovereenkomst (Vlaanderen) of een 'Accord de branche' (Wallonië) ontvangen in ruil voor verregaande energie-inspanningen. Zonder die compensaties zou de stijging van de meerkosten nog hoger liggen.

 

Netto-operationele marge daalt verder

Sinds 2017 is de netto-operationele marge van de voedingssector onder het gemiddelde niveau van de laatste 20 jaar gekomen, nadat ze er tussen 2014 en 2016 nog boven lag.

De rest van de verwerkende industrie heeft daarentegen haar operationele marge geconsolideerd om de 5 % te bereiken. In 2019 lag ze 1,3 procentpunt boven haar historische gemiddelde.

Voldoende marge behalen blijft voor de voedingsindustrie een belangrijke uitdaging. Door die marge kunnen voedingsbedrijven immers investeren maar ook banen creëren. Op die manier kan de voedingsindustrie ook in de toekomst de sterke schakel blijven van de Belgische verwerkende industrie.

 

Zeer zware indirecte fiscaliteit

De accijnzen op de vervaardiging van dranken zijn zeer zwaar met een totaal van bijna 950 miljoen euro in 2020. Meer bepaald hebben de accijnzen op alcohol (sterkedrank) 321 miljoen euro opgeleverd, 175 miljoen euro op wijn, eveneens 175 miljoen euro op softdrinks en 168 miljoen euro op bieren.

Opvallend is dat de accijnsinkomsten uit bieren, schuimwijnen en softdrinks in 2020 daalden met respectievelijk 16%, 14% en 5%.  Dit omdat de horeca een goed deel van het jaar gesloten is gebleven. Accijnsinkomsten uit alcoholhoudende dranken stegen daarentegen met 3,3%.

 

Grensaankopen

Dit komt doordat de grenzen in 2020 maandenlang gesloten zijn gebleven. Hierdoor konden de Belgen geen aankopen doen in de buurlanden (-28% grensaankopen in 2020 volgens GfK).  Alcoholhoudende dranken zijn net als softdrinks lokartikelen met een prijs die beduidend lager ligt aan de andere kant van de grens, onder meer door lagere taksen.