Vlaamse voedingsindustrie vermijdt 58.000 t CO2 emissies

Tom Quintelier
23.03.2018

De Vlaamse voedingsindustrie is op weg om tegen eind 2018 een energiebesparing van 2,2 Petajoule (PJ) of 611 GWh te realiseren. Dat is vergelijkbaar met het gemiddeld jaarverbruik van 20.000 gezinnen of het equivalent van het isoleren van een 60.000 daken. Dat blijkt uit het jaarverslag 2015-2016 van de EnergieBeleidsOvereenkomsten (EBO). Halfweg de eerste rapporteringscyclus heeft de Vlaamse voedingsindustrie reeds 1,1 Pj , ofwel 50% van de geplande energiebesparingen, gerealiseerd. Een zeer goed resultaat dus.

Energiebeleidsovereenkomsten zijn een partnerschap tussen de Vlaamse overheid en ruim 300 ondernemingen uit diverse industriële sectoren zoals chemie, kunststoffen, staal, voeding, metaal, papier, textiel en glas. De bedrijven engageren zich om energiebesparende maatregelen uit te voeren die op basis van energieaudits en energieplannen economisch rendabel zijn. De uitvoering van de maatregelen wordt jaarlijks nauwgezet opgevolgd. In ruil legt de Vlaamse overheid geen bijkomende administratieve lasten of nieuwe regelgeving op. De voedingsbedrijven zijn goed voor 8,5% van het totale energieverbruik van de EBO en voor 28% van het aantal bedrijven.

De energiebeleidsovereenkomsten voor VER-bedrijven en niet VER-bedrijven werden goedgekeurd op 4 april 2014, traden in werking op 1 januari 2015 en eindigen, na verlenging met 2 jaar cfr. de Beslissing van de Vlaamse regering d.d. 17 november 2017, op 31 december 2022. Deze energiebeleidsovereenkomsten zijn er op gericht dat zoveel mogelijk industriële eindverbruikers van energie vooraanstaand worden en blijven op gebied van energie-efficiëntie. De toegetreden ondernemingen dragen daarmee bij aan de realisatie van de Vlaamse CO2- en energie-efficiëntiedoelstellingen.

VER en niet VER

Er zijn 2 verschillende energiebeleidsovereenkomsten. De EBO VER is voor bedrijven die vallen onder het Europses Emissiehandelssysteem. De EBO niet VER is voor alle andere bedrijven. De VER bedrijven (gehele industrie) zijn goed voor 87% van het totale energieverbruik van beide EBO's. Wanneer we specifiek kijken naar de voedingsbedrijven zien we dat de verhouding VER/niet VER met 60/40 afwijkt van het industriële gemiddelde. De voedingsindustrie is dan ook de KMO sector bij uitstek. De geplande besparingen zijn ongeveer gelijkaardig verdeeld. De VER bedrijven uit de voedingsindustrie staan in voor 67% van de totale energiebesparingen. De niet-VER bedrijven nemen de overige 33% besparingen voor hun rekening.

Energie-efficiëntie verbetert met 2%

De maatstaf voor het uitdrukken van de performantie van de EBO-bedrijven op het vlak van energie-efficiëntie is de Energie Prestatie Index – kortweg E.P.I. Uitgaande van de evolutie van de specifieke verbruiken van de individuele processen wordt de evolutie van elke vestiging uitgedrukt in termen van deze E.P.I. Deze index geeft ten opzichte van het referentiejaar 2014 aan wat de stijging of daling is van het specifiek verbruik.

De E.P.I index voor de voedingsindustrie bedroeg in 2016 98,06. Dit wijst op een energie-efficiëntie verbetering met bijna 2% tov van 2014. De niet VER voedingsbedrijven presteren iets beter (2,08%) dan de VER voedingsbedrijven (1,85%). Deze resultaten zijn lichtjes beter dan het industriële gemiddelde dat 1,1% bedraagt.

58.000 ton vermeden CO2-emissies in de Vlaamse voedingsindustrie

De door alle bedrijven totale vermeden CO2-emissies door het uitvoeren van energie-besparende maatregelen in 2015 en 2016 bedragen meer dan 515.000 ton CO2. Ongeveer 70% daarvan (363.500 ton CO2) zijn vermeden emissies door besparingen op brandstoffen of verbruikte warmte; de overige 30% (152.000 ton CO2) werd gerealiseerd door besparingen in het elektriciteitsverbruik. De Vlaamse voedingsbedrijven zijn goed voor 11% van deze vermeden emissies.

Conclusie

De EBO bedrijven zitten halverwege de looptijd van de eerste rapporteringscyclus op koers om hun engagementen na te komen.  Op die manier dragen ze bij aan de Vlaamse energie-efficiëntie doelstellingen. De Vlaamse voedingsbedrijven presteren iets beter dan het industrieel gemiddelde.